Koninklijke Marechaussee
Rijkswapenschilden.

 

 


Het vooroorlogse Rijkswapen boven de deur van de kazerne te Strijbeek.


Dezelfde ingang kazerne Strijbeek.
Dit is mogelijk een Rijkswapenbord tijdens de WOII. Het "koninklijke" is hier verdwenen.


Boven de deur van de voormalige marechausseekazerne Loosduinen aan de Leijweg te 's-Gravenhage prijkt nog steeds het Rijkswapen.
(foto van Fred Lodewijks)*

 

 
Op 16 maart 1815 vaardigde Koning Willem I het Koninklijk besluit nr. 71 uit waarin het Rijkswapen wordt beschreven. Dit werd tevens het Koninkrijkswapen.  Dit Wapenschild diende ter vervanging van het eerder door hem als souverein vorst ingestelde wapen van 2 december 1813.
 
Dit Nederlandse Koninklijke wapen is gebaseerd op het wapen van Nassau. Een gouden leeuw op een blauw veld met gouden blokjes. Er is gekozen voor de afbeelding van de leeuw als het Nederlands symbool. De kroon spreekt voor zich. Een koningskroon is een kroon die koningen dragen. Een kroon is een deel van de regalia, bijzondere voorwerpen die bij de functie van een koning behoren. Mensen hebben altijd en in bijna alle culturen hun rang onderstreept door iets bijzonders op hun hoofd te dragen. Het heeft als bijkomend voordeel dat de gezagsdrager ook groter lijkt.n het zwaard en de pijlen ontlenen zich waarschijnlijk aan afbeeldingen op vroegere wapenschilden.
Op de meeste Rijkswapenschilden wordt dan ook de leeuw afgebeeld. We spreken daarom ook dikwijls van de Nederlandse leeuw.
De Nederlandse leeuw is een symbool in de heraldiek. Al in de vroegste heraldische werken komen leeuwen, symbolen van kracht, voor op wapenschilden. Tot op de dag van vandaag komen leeuwen in tientallen uitvoeringen en kleuren voor op wapenschilden van families, steden en landen. In veel van de Nederlandse wapens spelen leeuwen en belangrijke rol terwijl in Duitsland adelaars de voorkeur genoten.De leeuw in het Nederlandse rijkswapen is is de leeuw van het Huis Nassau vermeerderd met de pijlenbundel en het zwaard van de oude generaliteitsleeuw.Wie in de 21e eeuw de vraag wil beantwoorden hoe een Nederlandse leeuw er precies uit ziet staat voor een probleem. Men kan aan de generaliteitsleeuw, één van de drie leeuwen in het rijkswapen of zelfs het beeldmerk van de KNVB denken
De bundel pijlen, het zwaard en de kroon in de poot van de leeuw verschijnen In het begin van de 17de eeuw ook op munten. De pijlbundel is een symbool van eendracht. Eerst bestond de bundel uit 17 pijlen, verwijzend naar de 17 Nederlanden, later werden het er zeven in verband met de afgesplitste Noordelijke gewesten die zich in de republiek verenigden.
Het zwaard is een zinnebeeld van het recht. Twee gekroonde leeuwen die elkaar aankijken als schildhouders en een kroon op het schild.
Uit dit koninkrijkswapen moeten ook de Rijkswapenschilden van de Koninklijke Marechaussee zijn ontstaan. Sommige uitvoeringen hebben gekroonde, andere weer ongekroonde leeuwen.
Onder het schild de wapenspreuk "Je maintiendrai".
 
IJzergieterijen
Bij het woord " IJzergieterijen" doemt het beeld op van een onregelmatige reeks van hoge en lage gebouwen, waarboven grote schoorstenen hun zwarte rook uitblazen. Met binnen ovens als brakende vuurmonsters en ontzettend zware hamerslagen op ijzeren gevaarten die de grond doen trillen. Witgloeiend ijzer stroomt als ware het water naar de bakken van de gietvormen. Kortom, een ambachtelijk bedrijf met een oorverdovend lawaai van machinerie?n, dan weer met harde en doffe geluiden, dan weer helder en snorrend.
Helemaal onjuist is deze kenschets niet. De gieterijen van weleer waren niet bepaald milieuvriendelijke ondernemingen met een gezond werkklimaat voor het personeel. In de negentiende eeuw werden ze in de volksmond wel vergeleken met "Het Hellevuur", "Paleis van een Vulkaan" enz..
Heden ten dage gaat het er allemaal anders toe, maar een echt schone onderneming zal het nooit worden.
De term " IJzergieterij" wekt wellicht de indruk, dat er altijd sprake zou zijn van hetzelfde materiaal. Dat is geenszins het geval. Naast ijzer werd ook met zink en koper gewerkt. Aanvankelijk waren ijzergieterijen bedrijven waar men zich in eerste instantie toelegde op het gieten van allerhande, vaak huishoudelijke producten.
In de negentiende eeuw zien we de ijzergieterijen tevens als onderdeel en hulpbedrijf van de machinefabriek. Als men spreekt over ijzergieterijen is er dus vaak sprake van een complexe bedrijfsinrichting waar, naast eenvoudige gietstukken, tevens omvangrijke werkstukken als
 ijzerconstructies, machines, stoomketels enz. konden worden vervaardigd, waarbij naast gietijzer ook smeedijzer en andere metalen werden verwerkt.
Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw en in de eerste helft van de twintigste eeuw beleefden de ijzergieterijen in Nederland hun bloeitijd.
In eerste instantie kwamen ze voor in het oosten van ons land. De aanwezigheid van ijzererts en voldoende water waren gunstige vestigingsfactoren. Het materiaal bleek zich goed te lenen voor ornamenteel werk dat men gestalte kon geven door vloeibaar metaal in een zandvorm te gieten. Zodoende was dit materiaal uitermate geschikt
 voor wapenschilden die zich onder meer kenmerken door veel ornamentiek.
 
Wapenborden van ijzer
Tot de bekendste negentiende-eeuwse gieterijen behoren de firma’s L.J. Enthoven enCo en de Wed. A. Sterkman en Zn. Ofwel " De Prins van Oranje" genaamd, beide te ’s Gravenhage en de Koninklijke Stoomfabriek in Zink en andere metalen " F.W.Braat" te Delft en de firma L. Schulz te Zeist.
Deze ondernemingen hadden in de tweede helft van de negentiende eeuw een groot aandeel in de productie van onder meer wapenborden in handen, niet enkel voor Hofleveranciers maar ook voor de diverse overheidsinstellingen, zoals de Koninklijke Marechaussee, Post-en Telegraafkantoren en de Belastingen en Douane. Het tolschild van o.a. het Tolhuis te Ellecom was dus eigendom van laatstgenoemde.
Later waren vooral de gieterijen Ubbink uit Doesburg en Metaalgieterij " Holland" te Amsterdam actief met het vervaardigen van dergelijke wapenborden.
Bij deze firma’s kon men dan wapenborden bestellen, daarnaast kon men in sommige gevallen hetzelfde bord verkrijgen bij verschillende gieterijen, waarbij de prijs dan ook anders was. Zo zou in 1857 een wapenbord bestemd voor de Rijkstelegraaf in zink F 32,- en in ijzer F 17,- per stuk kosten bij de Heeren Enthoven & Co te ’s Gravenhage bij een minimale afname van veertig stuks. In 1870 bestelde de overheid zo’n vijftig ijzeren wapenborden voor de postkantoren tegen F 13,50 per stuk bij de Prins van Oranje in Den Haag. Ook al gaat het hier om een gewijzigde versie, ze waren dus aanzienlijk goedkoper dan die uit 1857.
Bij welke firma het tolbord in Ellecom vervaardigd is, is helaas niet te achterhalen daar bovengenoemde firma’s niet meer bestaan, maar van een familielid van een medewerker van " De Prins van Oranje" kreeg ik deze afdruk van een tolschild aldaar gemaakt welke exact gelijk is aan die van het Ellecomse bord.
 
Tot slot het kleurenschema voor het voormalige en het huidige rijks-en koninklijk wapen;
Volgens Soeverein Besluit 14 jan. 1814, no 133, zoals gewijzigd bij K.B. 24 aug. 1815 no. 71 en 24 juni 1816, no.77.
 
Het wapenschild
Schild blauw (azuur)
Blokjes goud
Leeuw goud
Kroon goud (Koninklijke kroon)
Uitvoering gelijk aan
"kroon op het wapenschild’
tong rood
nagels goud
zwaard zilver met gouden gevest
pijlen zilver met gouden punten
lint goud
 
Opmerking: De uitvoering van de rijkswapenborden op grond van deze richtlijnen is altijd gebaseerd geweest op de persoonlijke opvattingen van de schilder, zodat kleurverschillen nog al eens voorkomen.