|
Kees Kortlever vertelt
over zijn Koreatijd.

De
oorlogshandelingen van de Koninklijke Marine.
Naast de bijdrage
van een infanterie-bataljon werden ook eenheden van de
Koninklijke Marine ingezet in de Koreaanse oorlog.
Als eerste ariiveerde Hr.Ms. Evertsen,
een torpedobootjager die tot juli 1950 in de
Indonesische wateren gestationeerd was en door onze
regering snel ter beschikking gesteld werd. Dit schip en
de aflossende oorlogsbodems daarna maakten deel uit van
de Taskforce 95 van de United Nations Naval Forces.
Hr.Ms Evertsen maakte reeds op 5 augustus 1950 deel uit
van een eskader van het Britse Gemenebest dat een
bombardement uitvoerde op Inchon en nam voorts deel aan
pogingen om de vijandelijke bevoorrading te
storen.Tijdens een aktie in maart 1951 tegen
artillerieopstellingen, werven en bruggen verschoot de
Evertsen niet minder dan 2.147 granaten.
Naast beschietingen met de
scheepsartillerie leverde onze Koninklijke Marine ook
een aandeel in de zeeblokkade, een niet gemakkelijke en
gevaarvolle taak. Permanent moest ruim vijfhonderd mijl
vijandelijk kustgebied worden bewaakt. Vijandelijke
mijnenvelden en beschietingen door vijandelijke
kustbatterijen eisten hun tol, Tientallen VN-schepen
werden beschadigd of tot zinken gebracht.
Hr.Ms. Evertsen liep geen schade op en
werd in april 1951 afgelost door Hr.Ms. Van Galen. In
maart 1952 werd Hr.Ms. Van Galen afgelost door Hr.Ms.
Piet Hein. De Piet Hein was het enige Nederlandse schip
dat zich lid van de Train Busters Club van Task Force 95
mocht noemen, omdat dit schip in de nacht van 14 op 15
november 1952 er in slaagde een Noord-Koreaanse trein
door gericht vuur te vernietigen.In de laatste anderhalf
jaar van de Koreaanse oorlog werd er verbeten strijd
gevoerd om het bezit van eilanden ten noorden van de 38e
breedtegraad. Aan deze strijd werd deelgenomen door het
fregat Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau, dat op 18
januari 1953 de Piet Hein afgelost had. Op 26 februari
1953 was het eerste en enige Nederlandse slachtoffer van
de Koninklijke Marine te betreuren, de telegrafist C.
van Vliet. Dit was temeer tragisch omdat deze matroos om
het leven kwam door Zuid-Koreaans vuur vanaf de wal
terwijl men bezig was een zieke Zuid-Koreaanse militair
in een sloep van een der eilanden naar de wal te
evacueren.Na het ingaan van de wapenstilstand op 27 juli
1953 brak er voor de Maurits een rustiger periode aan.
Tot de taken behoorde daarna het controleren van de
naleving van het bestand ter zee en het observeren van
Noord-Koreaanse en Chinese troepenbewegingen nabij de
38e breedtegraad. Na Hr.Ms. Johan
Maurits van Nassau deden de fregatten Hr.Ms. Dubois en
Hr.Ms. VAn Zijll nog dienst in de Koreaanse wateren. De
taak van beide laatste schepen bleef grotendeels beperkt
tot patrouillegang. De Van Zijll aanvaardde op 24
januari 1955 de thuisreis omdat onze regering van
oordeel was dat inzet van Nederlandse oorlogsschepen
niet langer nodig was.

Kees Kortlever.
De
inzet van de Koninklijke Marechaussee in Korea.
18 mei 2009.
Zagen we
dat de Koninklijke Marine reeds in de zomer van 1950
deelnam aan operaties tegen Noord-Koreaanse en Chinese
strijdkrachten en dat het Nederlands Detachement
Verenigde Naties (NDVN) als infanterie-eenheid in
december 1950 aan de Koreaanse oorlog ging deelnemen, de
daadwerkelijke inzet van het Wapen der Koninklijke
Marechaussee zou eerst in een later stadium
plaatsvinden.
Bij de eerste vrijwilligers van het NDVN
waren al enkele marechaussees als regulier infanterist
naar Korea vertrokken. De Nederlandse regering vond het
in eerste aanleg niet nodig om een marechaussee-brigade
naar Korea te zenden en terplaatse werd volstaan met een
zogenaamde bataljonspolitie. De sterkte van die
bataljonspolitie bedroeg slechts vier man en men miste
bovendien de noodzakelijke ervaring op politiegebied.
Met name de derde bataljonscommandant, luitenant-kolonel
G.H. Christan drong aan op het inzetten van een
marechaussee-eenheid en op verzoek van de Generale Staf
werd uiteindelijk op 26 februari
1952 een brigade naar Korea gezonden om daar de
militaire politiedienst voor het NDVN te gaan verzorgen.
De Brigade Koninklijke Marechaussee Korea te Velde,
zoals de officiële naam luidde, bestond uit een
opperwachtmeester als brigade-commandant, een
wachtmeester en vier marechaussee 1e klas. In Korea
werden nog twee Zuid-Koreaanse onderofficieren aan de
brigade toegevoegd die dienst deden als tolk en
bovendien onmisbaar waren vanwege kun kennis van land en
volk. Overste Christan heette de brigade hartelijk welkom en
maakte duidelijk dat de brigadecommandant geen andere
opdrachten dan die van hem mocht aannemen. Tevens droeg
de bataljonscommandant de volgende
taken op:
- Regelen en controle van het verkeer
- Escorteren van krijgsgevangenen
- Controleren op eventuele achterblijvers
- Controleren op vluchtelingen
- Assistentie bij de beveiliging van stafkwartieren
- In beslag
nemen van vuurwapens in bezit van de burgerbevolking
- Tegengaan van diefstal en plundering
- Voorkomen van strafbare feiten door Nederlandse
militairen en het doen van onderzoek
naar gepleegde strafbare feiten
- Verschaffen van inlichtingen met betrekking tot de
locatie van legeronderdelen
- In het algemeen toezicht houden op tenue en gedrag van
Nederlandse militairen.
Met name dit laatste punt gold voornamelijk als het
bataljon niet in de eerste lijn gelegerd was maar op
reserve in het achtergelegen gebied, de zgn. 'rear'
De komst van de marechausseebrigade zal, mogen we
aannemen, de zorg van de bataljonscommandant hebben
weggenomen. Aangezien de marechaussees, in tegenstelling
tot de (weinige) rechtsgeleerde officieren van het
bataljon, niet op de organieke sterkte drukten,
bespaarde de brigade het bataljon mankracht en tijd. Hun
inzet bracht vooral specifieke kennis van het militaire
straf- en tuchtrecht alsmede politie-ervaring.
Na een reis van circa zes weken
meerde de "Felix Roussel" aan in Yokohama en werd ons
detachement met militaire bussen vervoerd naar Camp
Drake (een Amerikaans legerkamp in Tokyo). In dat kamp
verbleven we enkele dagen alvorens in de havenstad
Sasebo ingescheept te worden op een Amerikaans
troepentransportschip dat ons naar Korea zou brengen.
Het verblijf op dit troepentransportschip was heel wat
minder aangenaam dan onze reis op de "Felix Roussel",
omdat een troepentransportschip nu eenmaal minder luxe
kent dan een schip dat ingericht is om betalende
passagiers te vervoeren.

Forward CP. Kees Kortlever.
Omdat de reis relatief kort zou
duren waren er zoveel mogelijk militairen ingescheept.
Als je bv. ergens aan dek wilde gaan zitten was het soms
een hele toer om een zitplaats te vinden. Amerikaanse
schepen zijn 'drooggelegd', dat wil zeggen dat er geen
alcoholhoudende dranken verkocht werden, wel stonden er
hier en daar frisdrankautomaten, waaruit je met speciale
munten blikjes cola kon halen. Om aan die munten te
komen moest je in een heel lange rij staan en mij
overkwam het dat ik na lang wachten enkele munten
bemachtigd had en dat ik, bij de frisdrankautomaat
aangekomen, bemerkte dat hij leeg was. Pas de volgende
dag kon ik genieten van een lekkere koude cola. Ook de
maaltijden moesten in hoog tempo verorberd worden. Je
kreeg je ontbijt, lunch of diner op een metalen bord met
vakverdeling, ging daarmee naar een hoge metalen tafel
waaraan staande gegeten moest worden. Al etend schoof je
naar het einde van die tafel, waar een Amerikaanse
matroos je bord - leeg of niet - inpikte en eventuele
resten in een container mikte. Op je gemak dineren was
er bij de Yanks niet bij. In de avond werd er aan dek
een speelfilm gedraaid, maar om maar iets van die film
te zien moest je wel ruim een uur van tevoren een
plaatsje opzoeken.

De Amdea river.
Na een reis van twee dagen lagen we voor de
Zuid-Koreaanse kust en werden we met landingsboten naar
de wal gevaren. Het bleek dat we in Inchon beland waren.
Vandaar werden we met een trein die betere dagen gekend
had in Noordelijke richting vervoerd. Even na
middernacht, op 26 juli 1953, stopte de trein en werden
we verder met vrachtauto's naar ons onderdeel vervoerd.
Nadat we de trein verlaten hadden werden we in het
nachtelijk duister begroet door de Brigadecommandant,
Owmr. G.H. Delahaye.

Brigade Korea te velde. Brug over de Amdea River sept.1953.
Ik meen me te herinneren dat
ons toen verteld werd dat aan het eind van die dag om
22.00 uur een 'cease fire' (wapenstilstand) zou ingaan.
Op het moment van aankomst was daar nog niet veel van te
merken, omdat duidelijk hoorbaar was dat er nog strijd
gevoerd werd. Over en weer vonden die nacht
artillerie-bombardementen plaats en het was ook in die
nacht dat een patrouille van het N.D.V.N. in een Chinese
hinderlaag liep, met als gevolg vijf doden (onder wie de
patrouillecommandant, 2e Lt. H.Douna) en twee vermisten.

Lunch in de openlucht.
Het feit dat er in de laatste nacht voor de
wapenstilstand nog vijf doden te betreuren waren maakte
veel indruk op de militairen van het N.D.V.N. Met name
het sneuvelen van soldaat 1e klas Marius Hampel, een
19-jarige Hagenaar, sloeg in als een bom. Hampel had
zich vrijwillig opgegeven voor deze patrouille en zou
enkele dagen terugkeren naar Nederland.
Tot zover mijn verslag.
Volgende keer verder.
Kees Kortlever.10-08-2009.
Vervolg verslag:
Na een korte
nachtrust begon onze eerste dag bij het NDVN. Een bijzondere dag want 's
avonds om 22.00 uur zou de wapenstilstand ingaan. In de namiddag werden
er enkele marechausseepatrouilles uitgestuurd met de opdracht om enkele
veldhospitalen langs te gaan om te zoeken naar twee Nederlanders die tot
de patrouille behoorden die 's nachts in een hinderlaag gelopen was en
die vermist werden. Die zoektocht had geen sukses en een tijd later
bleek dat beide militairen door de Chinezen gevangen genomen waren. Op
grond van de wapenstilstandsvoorwaarden werden zij na enkele maanden
uitgeruild met vijandelijke krijgsgevangenen. Zij kwamen niet meer terug
bij het bataljon maar moesten - eveneens op grond van de
wapenstilstandsvoorwaarden - naar Nederland terugkeren. Ik maakte deel
uit van een van die patrouilles en ik zal nooit vergeten wat ik in en
rond die veldhospitalen aantrof, heel veel militairen die in de laatste
gevechtsakties gewond waren en behandeld werden.

1954. Hartje winter in Korea.
(Fotoarchief van Cees Kortlever)
Gebruikelijk was dat de
lichtere gevallen in Korea bleven en daar werden
'opgelapt', maar dat de zwaargewonden per vliegtuig naar
Japen gevlogen werden om in Tokyo in een militair
hospitaal verder verpleegd te worden. In de meeste
gevallen werden deze gewonden naar hun eigen land
vervoerd als hun toestand dat toeliet.

1953. Marechaussee 1e klas Cees Kortlever op patrouille
in Korea.
(fotoalbum van
Kees Kortlever)
Toen ik in Den Haag een nieuwe
PSU in ontvangst nam (iedere vrijwilliger kreeg een
splinternieuwe uitrusting) adviseerde de fourier mij om
die nieuwe uniformen en overjas thuis te bewaren en met
de uniformen die ik als beroepsmarechaussee bezat en al
geruime tijd gedragen had naar Korea te reizen.

Korea 1953. Voor "het brigadebureau".
(fotoarchief van
Kees Kortlever)
Bij aankomst in Korea moest men nl. de Nederlandse
uniformen op een hoop gooien en kreeg men Amerikaanse
legeruniformen. Dit bleek te kloppen en tijdens de
diensttijd in Korea was het Nederlands bataljon in
Amerikaanse uniformen gekleed, Het enige waaraan de
Nederlanders te herkennen waren was de khaki baret met
het 'Van Heutsz-embleem'en in enkele gevallen de groene
baret van de Commando's of de rode baret van de
parachutisten. En natuurlijk droegen wij als
marechaussees onze blauwe baret. De nestel droegen wij
alleen bij speciale gelegenheden.

Korea 1954. Marechaussee Cees Kortlever achter de
schrijfmachine.
(fotoarchief van
Kees Kortlever)
Degenen die een rang bekleedden
droegen Amerikaanse distinctieven, hetgeen in de
praktijk gemakkelijk was in de kontakten met onze
Amerikaanse collega's. Er was echter een probleem, het
Amerikaanse leger kent de rang van korporaal 1e
klas/marechaussee 1e klas niet, maar daar werd het
volgende opgevonden. Men nam de distinctieven van een
een sergeant (drie chevrons met de punt naar boven en
onder de onderste chevron een neerwaartse boog) en
knipte de bovenste chevron er af. Als marechaussee 1e
klas droeg ik dus twee chevrons met een neerwaartse boog
en ik heb heel vaak aan Amerikaanse militairen uit
moeten leggen welke rang ik bekleedde. Vaak werd je
begroet met 'Hi Sarge'. Het NDVN deed dienst met
Amerikaanse bewapening en wij als marechaussees bezaten
een pistool met 11 mm patronen en een karabijn M1.Anders
dan in Nederland was er net zoveel munitie als je maar
hebben wilde en hoefde je niet voor de ontvangst ervan
te tekenen.

1954. Bij de oliekachel in Korea.
(fotoarchief van Kees Kortlever)
Een volgende keer schrijf ik
over mijn verdere ervaringen in Korea.

1953.
marech. C.J. Kortlever, P.A. van der
Velden en Th.A. Rijke. Het bier was van het merk 'Goebel',
een Amerikaanse brouwerij.
(fotoarchief van Kees Kortlever)
Mvrgr.
Kees Kortlever
31-8-2009
Vervolgverslag
van mijn diensttijd bij de Brigade Koninklijke
Marechaussee te Velde in Korea. Ik heb destijds geen
dagboek bijgehouden en moet dus afgaan op datgene wat er
in mijn geheugen is opgeslagen.
"De dienst in Korea verschilde heel wat met die op een
brigade in Nederland. Wij waren ingedeeld bij de
Stafcompagnie van het NDVN, maar dat was slechts een
administratieve indeling. De compagniescommandant had
geen enkele bemoeienis met de dienstuitvoering van de
marechaussee, als er al aanwijzingen of opdrachten
gegeven werden dan kwamen die rechtstreeks van de
bataljonscommandant.
Onze brigade-tenten bevonden zich in het gebied waar de
stafcompagnie gehuisvest was. Wij beschikten over twee
zgn.squad-tents, één daarvan bood onderdak aan het
brigadebureau en de slaapplaatsen van de
brigadecommandant en de onderofficieren, inclusief een
Koreaanse sergeant-majoor en de 'house-boy'' een
14-jarige Koreaanse jongen die we gemakshalve Jimmy
noemden , de andere tent fungeerde als woon- en
slaapplaats van de marechaussees en de beide Koreaanse
sergeants die bij de brigade ingedeeld waren.
Een aantal bataljons-funtionarissen, zoals de
bataljonscommandant, de compagniescommandanten, de
veldprediker, de aalmoezenier en de bataljonsarts hadden
allen een 'houseboy, die als taak had hun tent netjes te
houden, de maaltijden voor hen op te halen bij de
compagnieskeuken, de was te doen en schoenen te poetsen
enz.
Ook de opperwachtmeester brigadecommandant kreeg een
houseboy toegewezen voor de nodige huishoudelijke
klusjes. Zo was Jimmy ondermeer belast met het ophalen
van het ontbijt voor de gehele brigade, de warme
maaltijd ging ieder zelf ophalen bij de stafkeuken.Onze
houseboy kreeg daarvoor een salaris wat hem in staat
stelde zijn moeder en de andere kinderen te onderhouden.
Als we op patrouille of voor een andere dienstuitvoering
op pad gingen werden we vrijwel altijd vergezeld door
een Koreaanse onderofficier. Die kon in voorkomende
gevallen als tolk optreden, de Koreaanse taal was voor
ons te ingewikkeld om daarvan voldoende te leren in de
relatief korte tijd dat we in Korea verbleven. Nu moest
men van dat optreden als tolk niet teveel verwachten. In
de meeste gevallen ging het erom dat er in de Engelse
taal geconverseerd weer, maar het kennisniveau van de
Engelse taal was meestal niet erg hoog.
Onze werkzaamheden speelden zich over het algemeen af in
het Nederlandse bataljonsvak.
De patrouilles dienden mede om eventuele Koreaanse
burgers aan te houden en te verwijderen. Het was
namelijk aan Koreaanse burgers verboden om zich in de
gebieden bij de 38e breedtegraad op te houden. Als we al
iemand aantroffen dan ging het meestal om 'slicky boys',
jonge jongens die probeerden in militaire kampementen
goederen en/of geld te stelen, of om Koreaanse vrouwen
die hoopten als prostitué iets bij te verdienen.
De Koreaanse bevolking leefde onder zeer armoedige
omstandigheden en was vaak door de veelvuldige
verplaatsing van het strijdtoneel vrijwel alles
kwijtgeraakt.
Over geld gesproken, in Korea konden alle militairen in
dienst van de Verenigde Naties over militair papiergeld
beschikken, dat waren Amerikaanse dollars
waarmee je In de PX (een belastingvrije winkel) aankopen
kon doen.
Die PX-stores waren nooit vlak achter de frontlijn en
dus moest je over vervoer beschikken om daar heen te
gaan. Bij onze stafcompagnie was ook een soort PX, maar
die had een zeer beperkt assortiment in de aanbieding,
voornamelijk blikjes bier, sigaretten, chocolade,
filmrolletjes en dergelijke. Over geld gesproken, we
kregen in Korea geen salaris uitbetaald (dat hielden we
tegoed tot na onze terugkeer in Nederland) maar hadden
recht op $ 1,50 per dag. Dat kon men om de tien dagen
opnamen bij de militaire administrateur waar overigens
weinig gebruik van werd gemaakt.
Dat hield in dat je na verloop van tijd een behoorlijk
tegoed aan militaire dollars had staan.
Je had ook niet zoveel geld nodig want we hadden
Amerikaanse rantsoenen, dat betekende per dag een pakje
sigaretten, snoepgoed (Life Savers (zuurtjes) en yellies),
scheermesjes, scheer- en toiletzeep, dat alles gratis.
En de enkele stugge roker kon sigaretten bijkopen in de
PX of van de maten die niet rookten.
Dat snoepgoed, voor zover niet gebruikt, werd in het
brigadebureau in een grote kist opgespaard. Van tijd tot
tijd reed de brigadecommandant met de Koreaanse
sergeant-majoor Lim naar een Koreaans weeshuis waar het
opgespaarde snoepgoed en andere gulle gaven natuurlijk
heel welkom waren.
Dat tegoed aan salaris bleek bij de eindafrekening in
Nederland veelal een fors bedrag. Iedere vrijwilliger
ontving het beroepssalaris overeenkomstig zijn rang,
zonder inhouding van voeding en in inwoning. Bovendien
ontving men toeslagen op de wedde en die bedroegen 70%
voor gehuwden en 35% voor ongehuwden.
Bovendien kreeg men voor iedere maand dat men in Korea
diende fl. 100,- en voor iedere aktiedag fl. 8,-.Voor de
jaren 50 en bij de toen geldende inkomens was dat zeer
aantrekkelijk,met dien verstande dat men tot de
wapenstilstand het risiko liep gedood of gewond te
worden"
In een volgende aflevering hoop ik nog
wat vertellen over mijn Korea-tijd.
20 dec.2009. Kees Kortlever.
Vervolgverslag.
"Bij
aankomst in Korea was het volop zomer en werden we in
het Amerikaanse zomertenue gestoken. Maar in de herfst
werd het geleidelijk kouder en kregen we een nieuwe
outfit, een olijfgroene broek en blouse van dikkere
stof. En toen in december de Koreaanse winter begon
konden we ook nog beschikken over extra winterkleding,
jacks en broeken met een zgn. binnenbekleding, snowboots
en een pile-cap. Die pile-cap had opstaande randen die
je omlaag over je oren kon doen om ze tegen bevriezing
te beschermen.
Dat was wel nodig want temperaturen tussen 20-30 graden
Celsius onder nul waren in Korea aan de orde van de
dag..
De klep van de pile-cap wees omhoog en was voor het
brigadepersoneel voorzien van een zwarte hoes met witte
kapitale letter MP. Dit was nodig om ons herkenbaar te
maken als militair politiepersoneel.
Nadat ik er ongeveer een half jaar op had zitten ging de
ploeg van owmr. Delahaye (met wmr I W.Triepels, tijd.wmr.
W.Elbers en de marechaussees G.Diependaal, P.van der
Velde en R. Raven) terug naar Nederland.
Hun vervangers waren owmr. W. Toering, wmr.J. de Haan en
de marechaussees Fr. de Graaff (mijn slapie uit de
opleiding 1949-1950 in Apeldoorn, zo zie je nog eens een
oude bekende!), H. Kroon, M. Mooren en A. Bandell.
Omdat wmr J. van der Hoorn nu 'second in command'
was werd hij bevorderd tot tijdelijk wmr
I. Dat tijdelijk bevorderen kwam bij het NDVN regelmatig
voor. Als iemand een bepaalde funktie bekleedde kreeg
hij de rang die bij die funktie behoorde.
Zo was collega W. Elbers van de juist afgeloste groep
bevorderd van marechaussee 1e kl. tot tijd.wmr. Door
owmr. Toering werden de marechaussee 1e kl. E.
Westerduin en ik bij de bataljonsstaf voorgedragen voor
bevordering tot tijd.wmr. Maar dat feest ging niet door
want vanuit de Staf van het Wapen in Den Haag kwam de
mededeling dat men het eventueel bevorderen van
marechaussees in eigen hand wilde houden. Wel kregen we
te horen dat de Commandant van het Wapen rekening zou
houden met deze voordracht. Dat hield in dat Westerduin
en ik op de eerstvolgende onderofficierscursus geplaatst
zouden worden.
Gebruikelijk was dat iedere militair die ongeveer zeven
maanden in Korea had gediend een week verlof kreeg, door
te brengen in Tokyo. In februari 1954 werden
marechaussee 1e kl. Th Rijke en ik aangewezen om met een
groep andere leden van het NDVN op verlof te gaan. Onze
groep werd vervoerd naar het militaire vliegveld bij
Seoel en vandaar werden we samen met verlofgangers van
andere onderdelen met een Amerikaans toestel, een
zogenaamde 'Boxmaster' overgevlogen naar Tokyo. Daar
aangekomen kon iedereen zijn 'frontplunje' uittrekken en
een douche nemen. Daarna werd schoon ondergoed
uitgereikt en een 'uitgaanstenue', het uniform wat
normaal door Amerikaanse militairen gedragen werd.
Terplaatse werden de onderdeels- en
rangonderscheidingstekens op dat uitgaanstenue genaaid
en konden we aan ons verlof beginnen. Voor de
Nederlanders betekende dat dat je eerst naar het 'Holland-house'
ging, een mooi gebouw in een parkachtige omgeving in een
buitenwijk van Tokyo, tevens de residentie van de
Nederlandse militair-attaché, kapitein ter zee Muller
van de Koninklijke Marine.
Gedurende het verlof kon men tegen een geringe
vergoeding een kamer huren in het Holland-house, terwijl
men daar ook de maaltijden kon gebruiken. In de praktijk
bleef dat beperkt tot het ontbijt omdat vrijwel iedereen
zoveel mogelijk naar het centrum van Tokyo ging. Na ca.
zeven maanden in tenten en/of bunkers geleefd te hebben
was het hebben van een schoon bed en een verwarmde kamer
met electrisch licht en stromend water een waar
genoegen.
De kamers werden onderhouden en de maaltijden opgediend
door een drietal lieftallige Japanse jongedames die
respectievelijk Appeltje, Peertje en Pruimpje genoemd
werden, hun Japanse namen waren voor ons te moeilijk om
te onthouden.
Bij een sergeant-majoor-administrateur kon je je
militaire dollars omwisselen voor Japans geld, de Yen.
Ik weet nog wel dat ik vanwege de gunstige koers met een
flink pak Yen-bankbiljetten in de binnenzak op pad ging
om Tokyo te verkennen. Natuurlijk lieten we ons
vervoeren in de nogal kleine taxi's, maar wel met een
man of vier per taxi want dat drukte de toch al niet zo
hoge kosten (zuinige Hollanders , toch !).
Meestal kwam men op de Ginza terecht, een heel groot
winkelgebied met restaurants en bars . Als je in een
winkel iets kocht of in een restaurant iets gebruikte,
al was het maar een kop koffie, dan werd bij vertrek al
buigend de deur voor je open gehouden.
De bars mochten zich op een bezoek van de vele
verlofgangers verheugen en daarbij werd aan een zekere
vorm van klantenbinding gedaan. Als je begon met biertje
of iets sterkers dan kostte dat een bepaalde prijs, bv.
220 Yen. Voor de volgende consumptie werd dan 200 Yen
berekend en zo verder tot de bodemprijs van 140 Yen
bereikt was. De bedoeling was dat je steeds in dezelfde
bar bleef en niet ergens anders iets ging drinken, waar
je dan weer opnieuw startte met het top-tarief.
En een geliefde bezigheid was natuurlijk het kopen van
souvenirs, uiteraard gepaard gaand met flink afdingen.
Daar ging soms veel tijd inzitten, maar meestal kwam je
toch tot een aanvaardbare prijs. De aangekochte
souvenirs kon je in Tokyo laten verpakken in een houten
kist en naar je adres in Nederland verzenden. Daardoor
hoefde je die spullen niet eerst mee te nemen naar
Korea.
De week verlof in Tokyo vloog om en voor je het wist was
je weer bij het vertrekpunt om het uitgaanstenue in te
leveren en schone 'front-plunje' aan te trekken, al
vorens terug te vliegen naar Korea en je bij je
onderdeel te melden. Weer terug in een nog steeds
winters Korea vereiste toch wel enige aanpassing.".14-4-2010
Kees Kortlever.
Tot de volgende
aflevering.
In
juni 1950 werd Zuid Korea aangevallen door Noord
Korea en in dat conflict koos de Ver. Staten de
zijde van Zuid Korea en China nam het op voor Noord
Korea. Door een besluit van de Veiligheidsraad was
het mogelijk dat de Verenigde Naties gewapenderhand
konden gaan ingrijpen. Uiteindelijk zouden 16
nationaliteiten aan de zijde van Zuid Korea aan een
oorlog deelnemen die ongeveer drie jaren duurde
totdat op 27 juli 1953 een wapenstilstand van kracht
werd die tot heden nog steeds gehandhaafd wordt.
Aan de Nederlandse regering
werd in 1950 verzocht om door het zenden van
militairen aan de strijd te gaan deelnemen en hoewel
er aanvankelijk in Den Haag weinig animo was - de
strijd in Indonesië was nog maar net achter de rug -
kwam men toch tot het besluit om een
infanteriebataljon van ruim 700 man naar Korea te
sturen. De uitzending zou alleen op basis van
vrijwilligheid
plaats vinden. Er was kennelijk veel animo want er
meldden zich ruim 1600 man aan in augustus 1950.
Vele honderden kwamen op hun aanmelding terug,
terwijl honderden anderen niet aan de
uitzendvoorwaarden bleken te voldoen.
De eerste 636 vrijwilligers
vertrokken in de laatste week van oktober 1950 en
arriveerden eind november op het Koreaanse
strijdtoneel.
Uiteindelijk zouden in de periode 1950-1954 4.734
Nederlandse militairen van de Kon. Landmacht naar
Korea uitgezonden worden. In totaal hebben 124
militairen hun leven verloren en werden ruim 450
Korea-vrijwilligers gewond.
Het
oppercommando in Korea berustte natuurlijk bij de
Amerikanen. Het Nederlandse bataljon, maar ook
vrijwel alle andere VN- detachementen werden bij
Amerikaanse onderdelen ingedeeld.
De
Nederlanders werden ingedeeld bij het 38th Infantry
Regiment van de 2nd US Infantry
Division.
Deze divsie had als motto : 'Second tot None' en
droeg het Indianhead-embleem. Bij de 2nd US Infantry
Division waren naast het 38th Regiment Infantry ook
de 9th Regiment Infantry (waarbij een Thais bataljon
werd ingedeeld) en de 23rd Regiment Infantry .
(waar een Frans bataljon deel van uitmaakte).
Tijdens het
laatste halfjaar van de Korea-oorlog laaide de
strijd weer op.
Beide
partijen deden hun uiterste best met militaire
successen hun positie aan de onderhandelingstafel te
versterken. Het Nederlands bataljon moest eind maart
aan de westoever van de Samichon-rivier (Nudea-vallei)
enkele felle Chinese aanvallen afslaan.
Tijdens deze
aanvallen wist het bataljon met slechts lichte
verliezen aan eigen zijde meer dan 300 Chinezen te
doden. Na een periode in tweede lijn trokken de
Nederlanders op 14 juli 1953 voor hun laatste
gevechten opnieuw naar de IJzeren Driehoek.
De laatste
Nederlandse sl achtoffers
vielen triest genoeg één dag voor de wapenstilstand
van 27 juli 1953. Een patrouille van twaalf man liep
in een hinderlaag en werd onder vuur genomen. De
toegesnelde hulp kwam voor vijf
man te laat.
Na de wapenstilstand behield het bataljon nog tot 30
september 1954 een operationele taak en bezette
stellingen tussen Kumwha en
Chorwon.
Als een van de laatste VN-eenheden vertrok
het bataljon in november 1954 uit Korea. Voor de
vele acties tijdens de Korea-oorlog werd het
bataljon door de president van Zuid-Korea
onderscheiden met de Presidential Unit Citation.
Hoewel de
Nederlandse inzet in Korea snel in de vergetelheid
raakte, betekende dit niet dat de Korea-veteranen
helemaal geen aandacht meer kregen. De toekenning
van Nederlandse onderscheidingen, de onthulling van
het Nederlandse Korea-monument in
1959
en de tijdens bijzondere herdenkingsjaren oplevende
aandacht zijn hiervan voorbeelden. De
Korea-veteranen koesteren bovendien de grote
waardering die zij zowel toen ruim 160 dapperheidsonderscheidingen
als in de decennia
daarna van Amerikaanse en Zuid-Koreaanse zijde
hebben ondervonden, onder meer in de vorm van
een indrukwekkend Zuid-Koreaans monument ter
nagedachtenis aan de gesneuvelde Nederlanders dat in
1975 op de weg tussen Hoengsong en Wonju verrees.
(Foto Korea monument te Roosendaal) Een
persoonlijke notitie van mij, Kees Kortlever, is dat
onder de meer dan 3400
vrijwilligers
die in het Nederlandse bataljon dienden ook de
Koninklijke Marechaussee niet ontbrak. Meerdere
militairen van ons Wapen streden als infanterist in
het Nederlands bataljon, onder wie Wachtmeester G.J.
van Genderen. Deze werd voor zijn optreden
onderscheiden met het Bronzen Kruis. Hij fungeerde
geruime tijd als compagnies sergeant-majoor bij de
C-Compagnie.
(foto
korea monument Schaarsbergen)
|