Kees Kortlever

In juni 1950 werd Zuid Korea aangevallen door Noord Korea en in dat conflict koos de Ver. Staten de zijde van Zuid Korea en China nam het op voor Noord Korea. Door een besluit van de Veiligheidsraad was het mogelijk dat de Verenigde Naties gewapenderhand konden gaan ingrijpen. Uiteindelijk zouden 16 nationaliteiten aan de zijde van Zuid Korea aan een oorlog deelnemen die ongeveer drie jaren duurde totdat op 27 juli 1953 een wapenstilstand van kracht werd die tot heden nog steeds gehandhaafd wordt.

Aan de Nederlandse regering werd in 1950 verzocht om door het zenden van militairen aan de strijd te gaan deelnemen en hoewel er aanvankelijk in Den Haag weinig animo was - de strijd in Indonesië was nog maar net achter de rug - kwam men toch tot het besluit om een infanteriebataljon van ruim 700 man naar Korea te sturen. De uitzending zou alleen op basis van vrijwilligheid plaats vinden. Er was kennelijk veel animo want er meldden zich ruim 1600 man aan in augustus 1950. Vele honderden kwamen op hun aanmelding terug, terwijl honderden anderen niet aan de uitzendvoorwaarden bleken te voldoen.

De eerste 636 vrijwilligers vertrokken in de laatste week van oktober 1950 en arriveerden eind november op het Koreaanse strijdtoneel. Uiteindelijk zouden in de periode 1950-1954 4.734 Nederlandse militairen van de Kon. Landmacht naar Korea uitgezonden worden. In totaal hebben 124 militairen hun leven verloren en werden ruim 450 Korea-vrijwilligers gewond.

Het oppercommando in Korea berustte natuurlijk bij de Amerikanen. Het Nederlandse bataljon, maar ook vrijwel alle andere VN- detachementen werden bij Amerikaanse onderdelen ingedeeld.

De Nederlanders werden ingedeeld bij het 38th Infantry Regiment van de 2nd US Infantry Division. Deze divsie had als motto : 'Second tot None' en droeg het Indianhead-embleem. Bij de 2nd US Infantry Division waren naast het 38th Regiment Infantry ook de 9th Regiment Infantry (waarbij een Thais bataljon werd ingedeeld) en de 23rd Regiment Infantry. (waar een Frans bataljon deel van uitmaakte).

Tijdens het laatste halfjaar van de Korea-oorlog laaide de strijd weer op.  Beide partijen deden hun uiterste best met militaire successen hun positie aan de onderhandelingstafel te versterken. Het Nederlands bataljon moest eind maart aan de westoever van de Samichon-rivier (Nudea-vallei) enkele felle Chinese aanvallen afslaan.

Tijdens deze aanvallen wist het bataljon met slechts lichte verliezen aan eigen zijde meer dan 300 Chinezen te doden. Na een periode in tweede lijn trokken de Nederlanders op 14 juli 1953 voor hun laatste gevechten opnieuw naar de IJzeren Driehoek.

De laatste Nederlandse slachtoffers vielen triest genoeg één dag voor de wapenstilstand van 27 juli 1953. Een patrouille van twaalf man liep in een hinderlaag en werd onder vuur genomen. De toegesnelde hulp kwam voor vijf  man te laat.
Na de wapenstilstand behield het bataljon nog tot 30 september 1954 een operationele taak en bezette stellingen tus
sen Kumwha en Chorwon.
Als een van de laatste VN-eenheden vertro
k het bataljon in november 1954 uit Korea. Voor de vele acties tijdens de Korea-oorlog werd het bataljon door de president van Zuid-Korea onderscheiden met de Presidential Unit Citation. Hoewel de Nederlandse inzet in Korea snel in de vergetelheid raakte, betekende dit niet dat de Korea-veteranen helemaal geen aandacht meer kregen. De toekenning van Nederlandse onderscheidingen, de onthulling van het Nederlandse Korea-monument in 1959 en de tijdens bijzondere herdenkingsjaren oplevende aandacht zijn hiervan voorbeelden. De Korea-veteranen koesteren bovendien de grote waardering die zij zowel toen ruim 160 dapperheidsonderscheidingen als in de decennia daarna van Amerikaanse en Zuid-Koreaanse zijde hebben ondervonden, onder meer in de vorm van
een indrukwekkend Zuid-Koreaans monument ter nagedachtenis aan de gesneuvelde Nederlanders dat in 1975 op de weg tussen Hoengsong en Wonju verrees.
(Foto Korea monument te Roosendaal) Een persoonlijke notitie van mij, Kees Kortlever, is dat onder de meer dan 3400 vrijwilligers die in het Nederlandse bataljon dienden ook de Koninklijke Marechaussee niet ontbrak. Meerdere militairen van ons Wapen streden als infanterist in het Nederlands bataljon, onder wie Wachtmeester G.J. van Genderen. Deze werd voor zijn optreden onderscheiden met het Bronzen Kruis. Hij fungeerde geruime tijd als compagnies sergeant-majoor bij de C-Compagnie.

(foto korea monument Schaarsbergen)

 

De oorlogshandelingen van de Koninklijke Marine.
Naast de bijdrage van een infanterie-bataljon werden ook eenheden van de Koninklijke Marine ingezet in de Koreaanse oorlog.
Als eerste ariiveerde Hr.Ms. Evertsen, een torpedobootjager die tot juli 1950 in de Indonesische wateren gestationeerd was en door onze regering snel ter beschikking gesteld werd. Dit schip en de aflossende oorlogsbodems daarna maakten deel uit van de Taskforce 95 van de United Nations Naval Forces.
Hr.Ms Evertsen maakte reeds op 5 augustus 1950 deel uit van een eskader van het Britse Gemenebest dat een bombardement uitvoerde op Inchon en nam voorts deel aan pogingen om de vijandelijke bevoorrading te storen.Tijdens een aktie in maart 1951 tegen artillerieopstellingen, werven en bruggen verschoot de Evertsen niet minder dan 2.147 granaten.
Naast beschietingen met de scheepsartillerie leverde onze Koninklijke Marine ook een aandeel in de zeeblokkade, een niet gemakkelijke en gevaarvolle taak. Permanent moest ruim vijfhonderd mijl vijandelijk kustgebied worden bewaakt. Vijandelijke mijnenvelden en beschietingen door vijandelijke kustbatterijen eisten hun tol, Tientallen VN-schepen werden beschadigd of tot zinken gebracht. Hr.Ms. Evertsen liep geen schade op en werd in april 1951 afgelost door Hr.Ms. Van Galen. In maart 1952 werd Hr.Ms. Van Galen afgelost door Hr.Ms. Piet Hein. De Piet Hein was het enige Nederlandse schip dat zich lid van de Train Busters Club van Task Force 95 mocht noemen, omdat dit schip in de nacht van 14 op 15 november 1952 er in slaagde een Noord-Koreaanse trein door gericht vuur te vernietigen.In de laatste anderhalf jaar van de Koreaanse oorlog werd er verbeten strijd gevoerd om het bezit van eilanden ten noorden van de 38e breedtegraad. Aan deze strijd werd deelgenomen door het fregat Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau, dat op 18 januari 1953 de Piet Hein afgelost had. Op 26 februari 1953 was het eerste en enige Nederlandse slachtoffer van de Koninklijke Marine te betreuren, de telegrafist C. van Vliet. Dit was temeer tragisch omdat deze matroos om het leven kwam door Zuid-Koreaans vuur vanaf de wal terwijl men bezig was een zieke Zuid-Koreaanse militair in een sloep van een der eilanden naar de wal te evacueren.Na het ingaan van de wapenstilstand op 27 juli 1953 brak er voor de Maurits een rustiger periode aan. Tot de taken behoorde daarna het controleren van de naleving van het bestand ter zee en het observeren van Noord-Koreaanse en Chinese troepenbewegingen nabij de 38e breedtegraad. Na Hr.Ms. Johan Maurits van Nassau deden de fregatten Hr.Ms. Dubois en Hr.Ms. VAn Zijll nog dienst in de Koreaanse wateren. De taak van beide laatste schepen bleef grotendeels beperkt tot patrouillegang. De Van Zijll aanvaardde op 24 januari 1955 de thuisreis omdat onze regering van oordeel was dat inzet van Nederlandse oorlogsschepen niet langer nodig was.

 De inzet van de Koninklijke Marechaussee in Korea.
18 mei 2009.

Zagen we dat de Koninklijke Marine reeds in de zomer van 1950 deelnam aan operaties tegen Noord-Koreaanse en Chinese strijdkrachten en dat het Nederlands Detachement Verenigde Naties (NDVN) als infanterie-eenheid in december 1950 aan de Koreaanse oorlog ging deelnemen, de daadwerkelijke inzet van het Wapen der Koninklijke Marechaussee zou eerst in een later stadium plaatsvinden. Bij de eerste vrijwilligers van het NDVN waren al enkele marechaussees als regulier infanterist naar Korea vertrokken. De Nederlandse regering vond het in eerste aanleg niet nodig om een marechaussee-brigade naar Korea te zenden en terplaatse werd volstaan met een zogenaamde bataljonspolitie. De sterkte van die bataljonspolitie bedroeg slechts vier man en men miste bovendien de noodzakelijke ervaring op politiegebied. Met name de derde bataljonscommandant, luitenant-kolonel G.H. Christan drong aan op het inzetten van een marechaussee-eenheid en op verzoek van de Generale Staf werd uiteindelijk op 26 februari 1952 een brigade naar Korea gezonden om daar de militaire politiedienst voor het NDVN te gaan verzorgen.

 De Brigade Koninklijke Marechaussee Korea te Velde, zoals de officiële naam luidde, bestond uit een opperwachtmeester als brigade-commandant, een wachtmeester en vier marechaussee 1e klas. In Korea werden nog twee Zuid-Koreaanse onderofficieren aan de brigade toegevoegd die dienst deden als tolk en bovendien onmisbaar waren vanwege kun kennis van land en volk. Overste Christan heette de brigade hartelijk welkom en maakte duidelijk dat de brigadecommandant geen andere opdrachten dan die van hem mocht aannemen. Tevens droeg de bataljonscommandant de volgende taken op:
- Regelen en controle van het verkeer
- Escorteren van krijgsgevangenen
- Controleren op eventuele achterblijvers
- Controleren op vluchtelingen
- Assistentie bij de beveiliging van stafkwartieren
- In
beslag nemen van vuurwapens in bezit van de burgerbevolking
- Tegengaan van diefstal en plundering
- Voorkomen van strafbare feiten door Nederlandse militairen en het doen van onderzoek
naar gepleegde strafbare feiten
- Verschaffen van inlichtingen met betrekking tot de locatie van legeronderdelen
- In het algemeen toezicht houden op tenue en gedrag van Nederlandse militairen.
Met name dit laatste punt gold voornamelijk als het bataljon niet in de eerste lijn gelegerd was maar op reserve in het achtergelegen gebied, de zgn. 'rear'

De komst van de marechausseebrigade zal, mogen we aannemen, de zorg van de bata
ljonscommandant hebben weggenomen. Aangezien de marechaussees, in tegenstelling tot de (weinige) rechtsgeleerde officieren van het bataljon, niet op de organieke sterkte drukten, bespaarde de brigade het bataljon mankracht en tijd. Hun inzet bracht vooral specifieke kennis van het militaire straf- en tuchtrecht alsmede politie-ervaring.

Na een reis van circa zes weken meerde de "Felix Roussel" aan in Yokohama en werd ons detachement met militaire bussen vervoerd naar Camp Drake (een Amerikaans legerkamp in Tokyo). In dat kamp verbleven we enkele dagen alvorens in de havenstad Sasebo ingescheept te worden op een Amerikaans troepentransportschip dat ons naar Korea zou brengen. Het verblijf op dit troepentransportschip was heel wat minder aangenaam dan onze reis op de "Felix Roussel", omdat een troepentransportschip nu eenmaal minder luxe kent dan een schip dat ingericht is om betalende passagiers te vervoeren.


Forward CP. Kees Kortlever.

Omdat de reis relatief kort zou duren waren er zoveel mogelijk militairen ingescheept. Als je bv. ergens aan dek wilde gaan zitten was het soms een hele toer om een zitplaats te vinden. Amerikaanse schepen zijn 'drooggelegd', dat wil zeggen dat er geen alcoholhoudende dranken verkocht werden, wel stonden er hier en daar frisdrankautomaten, waaruit je met speciale munten blikjes cola kon halen. Om aan die munten te komen moest je in een heel lange rij staan en mij overkwam het dat ik na lang wachten enkele munten bemachtigd had en dat ik, bij de frisdrankautomaat aangekomen, bemerkte dat hij leeg was. Pas de volgende dag kon ik genieten van een lekkere koude cola. Ook de maaltijden moesten in hoog tempo verorberd worden. Je kreeg je ontbijt, lunch of diner op een metalen bord met vakverdeling, ging daarmee naar een hoge metalen tafel waaraan staande gegeten moest worden. Al etend schoof je naar het einde van die tafel, waar een Amerikaanse matroos je bord - leeg of niet - inpikte en eventuele resten in een container mikte. Op je gemak dineren was er bij de Yanks niet bij. In de avond werd er aan dek een speelfilm gedraaid, maar om maar iets van die film te zien moest je wel ruim een uur van tevoren een plaatsje opzoeken.

De Amdea river.
Na een reis van twee dagen lagen we voor de Zuid-Koreaanse kust en werden we met landingsboten naar de wal gevaren. Het bleek dat we in Inchon beland waren. Vandaar werden we met een trein die betere dagen gekend had in Noordelijke richting vervoerd. Even na middernacht, op 26 juli 1953, stopte de trein en werden we verder met vrachtauto's naar ons onderdeel vervoerd. Nadat we de trein verlaten hadden werden we in het nachtelijk duister begroet door de Brigadecommandant, Owmr. G.H. Delahaye.

Brigade Korea
te velde. Brug over de Amdea River sept.1953.

Ik meen me te herinneren dat ons toen verteld werd dat aan het eind van die dag om 22.00 uur een 'cease fire' (wapenstilstand) zou ingaan. Op het moment van aankomst was daar nog niet veel van te merken, omdat duidelijk hoorbaar was dat er nog strijd gevoerd werd. Over en weer vonden die nacht artillerie-bombardementen plaats en het was ook in die nacht dat een patrouille van het N.D.V.N. in een Chinese hinderlaag liep, met als gevolg vijf doden (onder wie de patrouillecommandant, 2e Lt. H.Douna) en twee vermisten.


Lunch in de openlucht.

Het feit dat er in de laatste nacht voor de wapenstilstand nog vijf doden te betreuren waren maakte veel indruk op de militairen van het N.D.V.N. Met name het sneuvelen van soldaat 1e klas Marius Hampel, een 19-jarige Hagenaar, sloeg in als een bom. Hampel had zich vrijwillig opgegeven voor deze patrouille en zou enkele dagen terugkeren naar Nederland.
Tot zover mijn verslag
. Volgende keer verder.
Kees Kortlever.10-08-2009.


Na een korte nachtrust begon onze eerste dag bij het NDVN. Een bijzondere dag want 's avonds om 22.00 uur zou de wapenstilstand ingaan. In de namiddag werden er enkele marechausseepatrouilles uitgestuurd met de opdracht om enkele veldhospitalen langs te gaan om te zoeken naar twee Nederlanders die tot de patrouille behoorden die 's nachts in een hinderlaag gelopen was en die vermist werden. Die zoektocht had geen sukses en een tijd later bleek dat beide militairen door de Chinezen gevangen genomen waren. Op grond van de wapenstilstandsvoorwaarden werden zij na enkele maanden uitgeruild met vijandelijke krijgsgevangenen. Zij kwamen niet meer terug bij het bataljon maar moesten - eveneens op grond van de wapenstilstandsvoorwaarden - naar Nederland terugkeren. Ik maakte deel uit van een van die patrouilles en ik zal nooit vergeten wat ik in en rond die veldhospitalen aantrof, heel veel militairen die in de laatste gevechtsakties gewond waren en behandeld werden.
              

1954. Hartje winter in Korea.
(Fotoarchief van Cees Kortlever)

Gebruikelijk was dat de lichtere gevallen in Korea bleven en daar werden 'opgelapt', maar dat de zwaargewonden per vliegtuig naar Japen gevlogen werden om in Tokyo in een militair hospitaal verder verpleegd te worden. In de meeste gevallen werden deze gewonden naar hun eigen land vervoerd als hun toestand dat toeliet.

195
3. Marechaussee 1e klas Cees Kortlever op patrouille in Korea.
(fotoalbum van
Kees Kortlever)

Toen ik in Den Haag een nieuwe PSU in ontvangst nam (iedere vrijwilliger kreeg een splinternieuwe uitrusting) adviseerde de fourier mij om die nieuwe uniformen en overjas thuis te bewaren en met de uniformen die ik als beroepsmarechaussee bezat en al geruime tijd gedragen had naar Korea te reizen.
               
Korea 195
3. Voor "het brigadebureau".
(fotoarchief van
Kees Kortlever)
Bij aankomst in Korea moest men nl. de Nederlandse uniformen op een hoop gooien en kreeg men Amerikaanse legeruniformen. Dit bleek te kloppen en tijdens de diensttijd in Korea was het Nederlands bataljon in Amerikaanse uniformen gekleed, Het enige waaraan de Nederlanders te herkennen waren was de khaki baret met het 'Van Heutsz-embleem'en in enkele gevallen de groene baret van de Commando's of de rode baret van de parachutisten. En natuurlijk droegen wij als marechaussees onze blauwe baret. De nestel droegen wij alleen bij speciale gelegenheden.

Korea 1954. Marechaussee Cees Kortlever achter de schrijfmachine.
(fotoarchief van
Kees Kortlever)

Degenen die een rang bekleedden droegen Amerikaanse distinctieven, hetgeen in de praktijk gemakkelijk was in de kontakten met onze Amerikaanse collega's. Er was echter een probleem, het Amerikaanse leger kent de rang van korporaal 1e klas/marechaussee 1e klas niet, maar daar werd het volgende opgevonden. Men nam de distinctieven van een een sergeant (drie chevrons met de punt naar boven en onder de onderste chevron een neerwaartse boog) en knipte de bovenste chevron er af. Als marechaussee 1e klas droeg ik dus twee chevrons met een neerwaartse boog en ik heb heel vaak aan Amerikaanse militairen uit moeten leggen welke rang ik bekleedde. Vaak werd je begroet met 'Hi Sarge'. Het NDVN deed dienst met Amerikaanse bewapening en wij als marechaussees bezaten een pistool met 11 mm patronen en een karabijn M1.Anders dan in Nederland was er net zoveel munitie als je maar hebben wilde en hoefde je niet voor de ontvangst ervan te tekenen.
            
1954. Bij de oliekachel in Korea.
(fotoarchief van Kees Kortlever)


1953. marech. C.J. Kortlever, P.A. van der Velden en Th.A. Rijke. Het bier was van het merk 'Goebel', een Amerikaanse brouwerij.
(fotoarchief van Kees Kortlever)
Mvrgr.
Kees Kortlever
31-8-2009

Vervolgverslag van mijn diensttijd bij de Brigade Koninklijke Marechaussee te Velde in Korea. Ik heb destijds geen dagboek bijgehouden en moet dus afgaan op datgene wat er in mijn geheugen is opgeslagen.
"De dienst in Korea verschilde heel wat met die op een brigade in Nederland. Wij waren ingedeeld bij de Stafcompagnie van het NDVN, maar dat was slechts een administratieve indeling. De compagniescommandant had geen enkele bemoeienis met de dienstuitvoering van de marechaussee, als er al aanwijzingen of opdrachten gegeven werden dan kwamen die rechtstreeks van de bataljonscommandant.
Onze brigade-tenten bevonden zich in het gebied waar de stafcompagnie gehuisvest was. Wij beschikten over twee zgn.squad-tents, één daarvan bood onderdak aan het brigadebureau en de slaapplaatsen van de brigadecommandant en de onderofficieren, inclusief een Koreaanse sergeant-majoor en de 'house-boy'' een 14-jarige Koreaanse jongen die we gemakshalve Jimmy noemden , de andere tent fungeerde als woon- en slaapplaats van de marechaussees en de beide Koreaanse sergeants die bij de brigade ingedeeld waren.
Een aantal bataljons-funtionarissen, zoals de bataljonscommandant, de compagniescommandanten, de veldprediker, de aalmoezenier en de bataljonsarts hadden allen een 'houseboy, die als taak had hun tent netjes te houden, de maaltijden voor hen op te halen bij de compagnieskeuken, de was te doen en schoenen te poetsen enz.
Ook de opperwachtmeester brigadecommandant kreeg een houseboy toegewezen voor de nodige huishoudelijke klusjes. Zo was Jimmy ondermeer belast met het ophalen van het ontbijt voor de gehele brigade, de warme maaltijd ging ieder zelf ophalen bij de stafkeuken.Onze houseboy kreeg daarvoor een salaris wat hem in staat stelde zijn moeder en de andere kinderen te onderhouden.
Als we op patrouille of voor een andere dienstuitvoering op pad gingen werden we vrijwel altijd vergezeld door een Koreaanse onderofficier. Die kon in voorkomende gevallen als tolk optreden, de Koreaanse taal was voor ons te ingewikkeld om daarvan voldoende te leren in de relatief korte tijd dat we in Korea verbleven. Nu moest men van dat optreden als tolk niet teveel verwachten. In de meeste gevallen ging het erom dat er in de Engelse taal geconverseerd weer, maar het kennisniveau van de Engelse taal was meestal niet erg hoog.
Onze werkzaamheden speelden zich over het algemeen af in het Nederlandse bataljonsvak.
De patrouilles dienden mede om eventuele Koreaanse burgers aan te houden en te verwijderen. Het was namelijk aan Koreaanse burgers verboden om zich in de gebieden bij de 38e breedtegraad op te houden. Als we al iemand aantroffen dan ging het meestal om 'slicky boys', jonge jongens die probeerden in militaire kampementen goederen en/of geld te stelen, of om Koreaanse vrouwen die hoopten als prostitué iets bij te verdienen.
De Koreaanse bevolking leefde onder zeer armoedige omstandigheden en was vaak door de veelvuldige verplaatsing van het strijdtoneel vrijwel alles kwijtgeraakt.
Over geld gesproken, in Korea konden alle militairen in dienst van de Verenigde Naties over militair papiergeld beschikken, dat waren Amerikaanse dollars
waarmee je In de PX (een belastingvrije winkel) aankopen kon doen.
Die PX-stores waren nooit vlak achter de frontlijn en dus moest je over vervoer beschikken om daar heen te gaan. Bij onze stafcompagnie was ook een soort PX, maar die had een zeer beperkt assortiment in de aanbieding, voornamelijk blikjes bier, sigaretten, chocolade, filmrolletjes en dergelijke. Over geld gesproken, we kregen in Korea geen salaris uitbetaald (dat hielden we tegoed tot na onze terugkeer in Nederland) maar hadden recht op $ 1,50 per dag. Dat kon men om de tien dagen opnamen bij de militaire administrateur waar overigens weinig gebruik van werd gemaakt.
Dat hield in dat je na verloop van tijd een behoorlijk tegoed aan militaire dollars had staan.
Je had ook niet zoveel geld nodig want we hadden Amerikaanse rantsoenen, dat betekende per dag een pakje sigaretten, snoepgoed (Life Savers (zuurtjes) en yellies), scheermesjes, scheer- en toiletzeep, dat alles gratis. En de enkele stugge roker kon sigaretten bijkopen in de PX of van de maten die niet rookten.
Dat snoepgoed, voor zover niet gebruikt, werd in het brigadebureau in een grote kist opgespaard. Van tijd tot tijd reed de brigadecommandant met de Koreaanse sergeant-majoor Lim naar een Koreaans weeshuis waar het opgespaarde snoepgoed en andere gulle gaven natuurlijk heel welkom waren.
Dat tegoed aan salaris bleek bij de eindafrekening in Nederland veelal een fors bedrag. Iedere vrijwilliger ontving het beroepssalaris overeenkomstig zijn rang, zonder inhouding van voeding en in inwoning. Bovendien ontving men toeslagen op de wedde en die bedroegen 70% voor gehuwden en 35% voor ongehuwden.
Bovendien kreeg men voor iedere maand dat men in Korea diende fl. 100,- en voor iedere aktiedag fl. 8,-.Voor de jaren 50 en bij de toen geldende inkomens was dat zeer aantrekkelijk,met dien verstande dat men tot de wapenstilstand het risiko liep gedood of gewond te worden"
In een volgende aflevering hoop ik nog wat vertellen over mijn Korea-tijd.

20 dec.2009. Kees Kortlever.

 


"Bij aankomst in Korea was het volop zomer en werden we in het Amerikaanse zomertenue gestoken. Maar in de herfst werd het geleidelijk kouder en kregen we een nieuwe outfit, een olijfgroene broek en blouse van dikkere stof. En toen in december de Koreaanse winter begon konden we ook nog beschikken over extra winterkleding, jacks en broeken met een zgn. binnenbekleding, snowboots en een pile-cap. Die pile-cap had opstaande randen die je omlaag over je oren kon doen om ze tegen bevriezing te beschermen.
Dat was wel nodig want temperaturen tussen 20-30 graden Celsius onder nul waren in Korea aan de orde van de dag..
De klep van de pile-cap wees omhoog en was voor het brigadepersoneel voorzien van een zwarte hoes met witte kapitale letter MP. Dit was nodig om ons herkenbaar te maken als militair politiepersoneel.
Nadat ik er ongeveer een half jaar op had zitten ging de ploeg van owmr. Delahaye (met wmr I W.Triepels, tijd.wmr. W.Elbers en de marechaussees G.Diependaal, P.van der Velde en R. Raven) terug naar Nederland.
Hun vervangers waren owmr. W. Toering, wmr.J. de Haan en de marechaussees Fr. de Graaff (mijn slapie uit de opleiding 1949-1950 in Apeldoorn, zo zie je nog eens een oude bekende!), H. Kroon, M. Mooren en A. Bandell.
Omdat wmr J. van der Hoorn nu 'second in command'
was werd hij bevorderd tot tijdelijk wmr I. Dat tijdelijk bevorderen kwam bij het NDVN regelmatig voor. Als iemand een bepaalde funktie bekleedde kreeg hij de rang die bij die funktie behoorde.
Zo was collega W. Elbers van de juist afgeloste groep bevorderd van marechaussee 1e kl. tot tijd.wmr. Door owmr. Toering werden de marechaussee 1e kl. E. Westerduin en ik bij de bataljonsstaf voorgedragen voor bevordering tot tijd.wmr. Maar dat feest ging niet door want vanuit de Staf van het Wapen in Den Haag kwam de mededeling dat men het eventueel bevorderen van marechaussees in eigen hand wilde houden. Wel kregen we te horen dat de Commandant van het Wapen rekening zou houden met deze voordracht. Dat hield in dat Westerduin en ik op de eerstvolgende onderofficierscursus geplaatst zouden worden.
Gebruikelijk was dat iedere militair die ongeveer zeven maanden in Korea had gediend een week verlof kreeg, door te brengen in Tokyo. In februari 1954 werden marechaussee 1e kl. Th Rijke en ik aangewezen om met een groep andere leden van het NDVN op verlof te gaan. Onze groep werd vervoerd naar het militaire vliegveld bij Seoel en vandaar werden we samen met verlofgangers van andere onderdelen met een Amerikaans toestel, een zogenaamde 'Boxmaster' overgevlogen naar Tokyo. Daar aangekomen kon iedereen zijn 'frontplunje' uittrekken en een douche nemen. Daarna werd schoon ondergoed uitgereikt en een 'uitgaanstenue', het uniform wat normaal door Amerikaanse militairen gedragen werd. Terplaatse werden de onderdeels- en rangonderscheidingstekens op dat uitgaanstenue genaaid en konden we aan ons verlof beginnen. Voor de Nederlanders betekende dat dat je eerst naar het 'Holland-house' ging, een mooi gebouw in een parkachtige omgeving in een buitenwijk van Tokyo, tevens de residentie van de Nederlandse militair-attaché, kapitein ter zee Muller van de Koninklijke Marine.
Gedurende het verlof kon men tegen een geringe vergoeding een kamer huren in het Holland-house, terwijl men daar ook de maaltijden kon gebruiken. In de praktijk bleef dat beperkt tot het ontbijt omdat vrijwel iedereen zoveel mogelijk naar het centrum van Tokyo ging. Na ca. zeven maanden in tenten en/of bunkers geleefd te hebben was het hebben van een schoon bed en een verwarmde kamer met electrisch licht en stromend water een waar genoegen.
De kamers werden onderhouden en de maaltijden opgediend door een drietal lieftallige Japanse jongedames die respectievelijk Appeltje, Peertje en Pruimpje genoemd werden, hun Japanse namen waren voor ons te moeilijk om te onthouden.
Bij een sergeant-majoor-administrateur kon je je militaire dollars omwisselen voor Japans geld, de Yen. Ik weet nog wel dat ik vanwege de gunstige koers met een flink pak Yen-bankbiljetten in de binnenzak op pad ging om Tokyo te verkennen. Natuurlijk lieten we ons vervoeren in de nogal kleine taxi's, maar wel met een man of vier per taxi want dat drukte de toch al niet zo hoge kosten (zuinige Hollanders , toch !).
Meestal kwam men op de Ginza terecht, een heel groot winkelgebied met restaurants en bars . Als je in een winkel iets kocht of in een restaurant iets gebruikte, al was het maar een kop koffie, dan werd bij vertrek al buigend de deur voor je open gehouden.
De bars mochten zich op een bezoek van de vele verlofgangers verheugen en daarbij werd aan een zekere vorm van klantenbinding gedaan. Als je begon met biertje of iets sterkers dan kostte dat een bepaalde prijs, bv. 220 Yen. Voor de volgende consumptie werd dan 200 Yen berekend en zo verder tot de bodemprijs van 140 Yen bereikt was. De bedoeling was dat je steeds in dezelfde bar bleef en niet ergens anders iets ging drinken, waar je dan weer opnieuw startte met het top-tarief.
En een geliefde bezigheid was natuurlijk het kopen van souvenirs, uiteraard gepaard gaand met flink afdingen. Daar ging soms veel tijd inzitten, maar meestal kwam je toch tot een aanvaardbare prijs. De aangekochte souvenirs kon je in Tokyo laten verpakken in een houten kist en naar je adres in Nederland verzenden. Daardoor hoefde je die spullen niet eerst mee te nemen naar Korea.
De week verlof in Tokyo vloog om en voor je het wist was je weer bij het vertrekpunt om het uitgaanstenue in te leveren en schone 'front-plunje' aan te trekken, al vorens terug te vliegen naar Korea en je bij je onderdeel te melden. Weer terug in een nog steeds winters Korea vereiste toch wel enige aanpassing.".
14-4-2010 Kees Kortlever.

"Na terugkeer van R & R-verlof in Tokyo (R & R = Rest and Recreation) kwamen we weer terug in het winterse klimaat van Korea in de wetenschap dat we daar nog ongeveer vier maanden moesten dienen. En zo lang de winterkou aan hield was dat geen pretje. Zo herinner ik me dat we gedurende enige weken een 'check-point' moesten bezetten in de omgeving van het bataillonsvak gedurende de nachtelijke uren. De opdracht was om het passerende militair verkeer te controleren. En daar stond je als marechaussee vergezeld van een der Koreaanse onderofficieren, de hele nacht op een doodstille weg waar nauwelijks militair verkeer reed. Zo'n nacht in de vrieskou met een Koreaanse collega die slechts een beperkte kennis van de Engelse taal had duurde wel heel erg lang. Als je in de vroege morgenuren bij de legeringstent terugkeerde was je totaal verstijfd en moest je een tijd bij de oliekachel ontdooien alvorens je verder te ontkleden en in je slaapzak te duiken. Beter dan het bemannen van zo'n checkpoint was het lopen van een patrouille want zolang je in het geaccidenteerde terrein in beweging was had je veel minder last van de kou.
          
vlnr. Een Thaise militair, marech.1e kl Tom Rijke, twee Franse onderofficieren, wachtmeester 1e kl.Jaap van der Hoorn en (knielend) marech.1e kl. Kees Kortlever en een Etiopische militair.

Nog plezieriger was het om af en toe per jeep ( heel luxe, voorzien van een heater) naar de Rear in Yong Dong Po, vlak bij de hoofdstad Seoul te gaan. In die Rear, een soort landhuis met grote tuin, kon je de nacht doorbrengen in een kamer en de maaltijden gebruiken in een eetzaal, een heel verschil met onze behuizing in tenten in de buurt van de demarcatielijn. Het commando over die Rear berustte bij een kapitein die de groene baret van het Korps Commandotroepen droeg maar zich liet aanspreken als ritmeester.

 

"De met streng arrest gestraften moesten hun straf uitzitten bij onze brigade. Daartoe was er een met prikkeldraad omheinde ruimte gemaakt waarin een aantal 'pup-tentjes' stonden voor de eventuele gestraften. Dat arrestantenverblijf had bij het bataillon de bijnaam 'Het Monkeyhouse'. Veel bewoners had het Monkeyhouse meestal niet, Toch kwam het ook wel voor dat er militairen in arrest gesteld werden in afwachting van afhandeling door de krijgsraad. Degenen die in voorlopig arrest gesteld waren werden niet in het Monkeyhouse opgesloten maar overgeplaatst naar de 2nd Division Stockade. Als er Nederlandse arrestanten waren werd er een marechaussee gedetacheerd bij deze stockade, eveneens een door palen en prikkeldraad omheinde ruimte beheerd door een groep Amerikaanse MP's. Het commando berustte bij een 2e luitenant, bijgestaan door een sergeant 1e kl. en een aantal korporaals en soldaten. In het voorjaar van 1954 werd ik bij deze groep gedetacheerd om leiding te geven aan de Nederlandse arrestanten. Ik heb daar enkele weken gewerkt en dat was toch wel een interessante ervaring. De arrestanten moesten werkzaamheden verrichten, zoals corveediensten. Ook werden ze ingezet om het nabijgelegen Hoofdkwartier van de 2e Divisie wat op te fleuren. Ze moesten bv. tussen de tenten paden aanleggen afgezet met witte steentjes. Die witte steentjes werden gemaakt door rotsblokken met mokers te bewerken en de aldus verkregen steentjes wit te verven, een bezigheid waar nooit een einde aan kwam. "

Geleidelijk aan begon het voorjaar zijn intrede te doen en werd de temperatuur een stuk aangenamer. In mei 1954 werd in het veel zuidelijker gelegen Pusan (die stad heet nu Busan)een internationale dodenherdenking georganiseerd bij het grote militaire ere-kerkhof waar de gesneuvelden van meerdere nationaliteiten begraven liggen.

Als vertegenwoordigers van het NDVN wees de bataljonscommandant wachtmeester 1e kl. J. van der Hoorn en de marechaussees 1e kl. C.J. Kortlever en Th. A. Rijke aan, waarbij de laatste de funktie kreeg van vlaggendrager. De bataljonsvlag bestond uit de Nederlandse driekleur met daaraan bevestigd de aan het NDVN toegekende onderscheidingen (unit citations) van de President der Verenigde Staten van Amerika en van de President van Zuid-Korea.
           
Een aantal Nederlandse graven. Pusan heet tegenwoordig Busan.

Eerst reden we naar Seoul en van daaruit vertrok er een militaire trein naar Pusan. Deze trein met slaapgelegenheid vertrok in de avonduren en deed er vrijwel de gehele nacht over om in de morgenuren van de volgende dag in Pusan het einddoel te bereiken. In Pusan werden we tijdelijk gehuisvest in barakken samen met de afvaardigingen van circa 16 naties. De voertaal was uiteraard Engels. In de middaguren werd er geoefend voor de plechtigheid die de volgende dag zou plaats vinden. De volgende dag werden we al tijdig gewekt om op tijd klaar te staan voor de herdenking die enkele uren in beslag nam. Het was een indrukwekkende herdenking met de vlaggen van de deelnemende naties als een kleurige erehaag. Het was daar dat ik voor het eerst de talloze kruisen met namen van de gesneuvelde militairen zag, het moeten er duizenden zijn geweest. De kruisen werden soms afgewisseld door de davidster als het een joodse militair betrof. Bij het vak van de gesneuvelde Turken was de Halve Maan aangebracht i.p.v. een kruis. Natuurlijk ging onze aandacht vooral uit naar het vak waar de ruim 120 Nederlandse gesneuvelden hun laatste rustplaats vonden.

Dezelfde avond reisden we weer met de nachttrein terug naar Seoul en melden we ons  weer terug bij de brigade.
           
vlnr. 1e luitenant Miog, kapitein-dominee J.Moll, Milva-verpleegkundige Hoekveen, kapitein-arts Cost en marech. 1e kl. Kees Kortlever. Deze foto werd gemaakt in juni 1954 op de kade van Yokohama bij de aankomst van een Nederlands Aanvullingsdetachement. Van deze kade zou ik na enige dagen de thuisreis aanvaarden.

Nu begon het einde van onze Koreatijd in zicht te komen en konden we ons gaan voorbereiden op de thuisreis. Aanvankelijk zouden wij (wachtmeester 1e kl. J. van der Hoorn en de marechaussees 1e kl. C.J. Kortlever. Th.A. Rijke en E. Westerduin) met het detachement waarmee een jaar tevoren in Korea gearriveerd waren naar Tokyo vertrekken om daarna vanuit Japan terug te reizen.

De Bat.Cdt, luitenant-kolonel C. Knulst (RMWO) bepaalde echter dat twee in arrest gestelde militairen ook naar Nederland moesten terugkeren, maar dat zij onder begeleiding van twee marechaussees per vliegtuig naar Tokyo vervoerd dienden te worden en niet tegelijkertijd met het vertrekkend detachement per troepentransportschip van Korea naar Japan zouden reizen.

Deze taak werd door de opperwachtmeester Toering opgedragen aan de marechaussees 1e kl. C.J. Kortlever en E. Westerduin. Reeds in de eerste week van juni 1954 vertrokken we, samen met de twee arrestanten vanuit Korea met een militair transportvliegtuig naar Tokyo. En dat betekende dat we nog ruim een week in Tokyo moesten wachten alvorens we ons bij het vertrekkend detachement zouden kunnen voegen. Voor Westerduin en mijn persoontje betekende dat een onverwacht extra verlof in Tokyo, een kamer in het Amerikaanse Camp Drake was snel geregeld maar toen zaten we nog wel met die twee arrestanten. Gelukkig was er in Tokyo een militaire gevangenis en daar hebben we beide arrestanten tijdelijk ondergebracht totdat we op 16 juni 1954 Japan zouden verlaten. Het hoeft geen betoog dat Westerduin en ik een plezierige tijd in Tokyo hebben doorgebracht tot het moment dat we ons weer bij het terugkerend detachement moesten voegen. Op 14 juni 1954 arriveerde het schip 'La Marseillaise' in de haven van Yokohama met aanboord een Nederlands aanvullingsdetachement, waaronder vijf marechaussee-collega's (wachtmeester 1e kl. L. Visch, wachtmeesters Groener en F. van Kampen en twee marechaussees waarvan ik me de namen niet meer herinner).

Met 'La Marseillaise' vertrok ons detachement (inmiddels waren wmr.Van der Hoorn en marech. Rijke ook in Tokyo) op 16 juni 1954 vanuit Yokohama naar Marseille. Natuurlijk waren we onze twee arrestanten niet vergeten, terwijl er nog een derde arrestant (een matroos van de Koninklijke Marine) aan ons werd meegegeven. Nu wisten we nog van de heenreis dat we niet minder dan zes buitenlandse havens zouden aandoen en daar wilden we graag gaan passagieren. Met de arrestanten werd een soort convenant gesloten. Zo lang het schip buitengaats was behoefden ze niet in de cel te verblijven en als wij, marechaussees, in vreemde havens gingen passagieren konden zij mee de wal op, mits zij op erewoord beloofden steeds bij ons in de buurt te blijven. En daar hebben ze zich alle drie voorbeeldig aan gehouden, waardoor ook zij konden genieten van de bezoeken aan Manilla, Hongkong, Saigon, Singapore, Colombo en Djbouti.

marechaussee 1e kl. Tom Rijke met de Nederlandse bataillonsvlag

Op 23 juli 1954 kwamen we aan in Marseille en reisden we per trein naar Roosendaal waar we de volgende dag in de namiddag arriveerden. Op het perron in Roosendaal werden we o.a. begroet door Distriktscommandant Bergen op Zoom, majoor De Vries Feijens. En die deelde namens de Auditeur-Militair bij de Krijgsraad te Velde mee dat de arrestanten uit arrest ontslagen waren en met verlof naar huis konden reizen. We lieten natuurlijk niets merken maar alle vier dachten we dat de Auditeur-Militair dat toch beter een week of zes eerder had kunnen bepalen. Want hoe je het ook keert of wendt, wij waren natuurlijk wel verantwoordelijk voor die drie arrestanten.

Om kort te gaan, we kregen geld en vrij vervoer bij de Nederlandse Spoorwegen gedurende een maand en er stonden bussen klaar die ons naar onze woonplaatsen vervoerden. Op 24 juli 1954 in de avonduren was ik bij mijn ouders in Delft en na een maand verlof meldde ik mij op mijn 'oude' brigade in Terneuzen. Daar zou ik niet lang meer blijven. Tijdens mijn verlof kreeg ik een verzoek me te melden bij de Staf van het Wapen in Den Haag en daar kreeg ik te horen dat ik naar de eerstvolgende wachtmeesterscursus zou gaan, evenals mijn collega's W. Elbers en E. Westerduin. Die cursus begon reeds op 3 september 1954 en die dag begon er in Apeldoorn weer een heel ander leven. Zo vlak na Korea was dat best wel even wennen !
 

Kees Kortlever.

 

 

Laat uw  "marechausseesporen" niet verloren gaan. Deel deze met anderen.   Mail ons.